Jurisprudentie

Er zijn al enkele uitspraken gedaan door rechters inzake het Familiegroepsplan.

23 februari 2016
(nog niet gepubliceerd; uitspraak is afkomstig van de betreffende familie)

De uitspraak is gedaan in februari 2016. De GI zag geen reden meer tot aanvragen verlening van de OTS. 14 augustus 2016 is de OTS afgelopen.

Rechtbank Oost-Brabant 23-2-2016, nr. 16/110 RK

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummer(s) C/01/304094 / JE RK 16-110
Samenvatting De GI verzoekt een machtiging uithuisplaatsing voor de jeugdige.

De kinderrechter wijst dit verzoek af. Hoewel vast staat dat al langere tijd intensieve hulpverlening wordt ingezet in het gezin van ouders en deze hulpverlening vooralsnog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid en er daarnaast ernstige zorgen zijn ten aanzien van de ontwikkelingsachterstand van de jeugdige kan niet worden uitgesloten dat met het door ouders opgestelde familiegroepsplan een uithuisplaatsing kan worden voorkomen. Hierbij acht de kinderrechter van belang dat volgens het plan van aanpak nog sprake was van een positieve ontwikkeling bij moeder en dat zij heeft laten zien leerbaar te zijn. Anders dan de GI oordeelt de kinderrechter dat het familiegroepsplan voldoende concreet is geformuleerd. Ook is bij dit plan alle relevante informatie betrokken. Er zijn duidelijke afspraken gemaakt met de ouders, en zij zijn een aantal afspraken, zoals het volgen door moeder van cognitieve therapie, aanmelding bij een stabilisatiegroep, en aanmelding van ouders bij Triple P, al nagekomen. Ook is WIJeindhoven inmiddels betrokken.

 

Integrale tekst van de uitspraak

in de zaak van

de stichting BUREAU JEUGDZORG NOORD-BRABANT, 
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Helmond,

betreffende

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats]
hierna ook te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats],

[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

het verzoekschrift met bij lagen van de GI van 28 januari 2016, ingekomen bij de griffie op 29 januari 2016;

  • een verweerschrift met bijlagen van mr. Grimmelikhuijsen van 9 februari 2016;
  • een brief met bijlage van mr. Grimmelikhuijsen van 10 februari 2016.

Op 11 februari 2016 heeft de kinderrechter het verzoek ter zitting met gesloten deuren behandeld, gelijktijdig met het verzoek ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] (de zus van [minderjarige 1]), bekend onder zaaknummer C/01/3 04093 JE RK 16-109.

Gehoord zijn:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader,
  • een vertegenwoordig(st)er van de GI;
  • [dhr. P], ondersteuner familiegroepsplan vanuit Public Balance.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de ouders. [minderjarige 1] woont bij de moeder.

Op 14 augustus 2009 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de Gl. Bij beschikking van 12 augustus 2015 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] laatstelijk verlengd tot 14 augustus 2016.

Het verzoek

De GI verzoekt om een machtiging tot plaatsing van [minderjarige 1] gedurende dag en nacht in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI voert in het verzoekschrift onder meer het volgende aan. Bij moeder thuis is huishoudelijke hulp ingezet en dat loopt. Moeder is echter niet volledig in staat om het geheel zelfstandig te doen. De hygiëne van de kinderen blijft onvoldoende, ook met ondersteuning van hulpverlening. Moeder is hierin onvoldoende leerbaar en herkent en erkent deze zorg van de Gl niet. Ondanks de inzet van Hulpverlening lmpegno, nu ruim een jaar, zien zij geen verandering en hebben zij veel zorgen. Doordat met de inzet van hulpverlening geen verandering heeft plaatsgevonden achten zij een uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige 1]. lmpegno komt niet verder met moeder. Moeder kan geen structuur en regels bieden en geen begrenzing. Moeder kan de kinderen niet stimuleren. De school geeft aan dat [minderjarige 1] een aantal keren onverzorgd naar school is gekomen en dat hij vaak moe is. De hulpverlening geeft aan dat [minderjarige 1] op alle vlakken te kort komt. Ook aan de bodemeisen kunnen ouders niet voldoen. Verder is de GI van mening dat[minderjarige 1] ook zelf hulpverlening nodig heeft voor zijn problematiek, welke versterkt wordt door de huidige problematische opvoedsituatie. [minderjarige 1] laat thuis veel boosheid en agressie tegen zijn zusje zien. Hij accepteert geen gezag van moeder. Door de verschillende gezinsfactoren mist [minderjarige 1] aansturing, structuur en consequenties waar hij sterk behoefte aan heeft. De opvoedingsvaardigheden van moeder zijn vooralsnog ontoereikend en dit belemmert de ontwikkeling van [minderjarige 1]. De situatie van [minderjarige 1] vraagt veel aandacht. Doordat de opvoedsituatie en moeder onvoldoende voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] kunnen bieden, komt de emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] in het gedrang. Daardoor acht de GI hulpverlening gericht op [minderjarige 1] noodzakelijk. Deze wordt door de onmacht van moeder onvoldoende aan [minderjarige 1] aangeboden. Er is in de thuissituatie sprake van gebrek aan structuur en begrenzing van de kinderen. Bij [minderjarige 1] is sprake van ontwikkelingsachterstand en vermoedens van PDD-NOS. Zo kent [minderjarige 1] rigide gedragspatronen en heeft hij extreem veel behoefte aan structuur, duidelijkheid en visualisatie. Gezien zijn ontwikkelingsachterstand heeft [minderjarige 1] meer stimulans nodig, welke hij thuis onvoldoende krijgt. [minderjarige 1] heeft veel behoefte aan een veilige en betrouwbare omgeving waarin duidelijke afspraken en regels gelden en waarin hij goed begeleid wordt op emotioneel gebied, welke door de opvoedsituatie thuis niet kunnen worden aangeboden. De GI stelt dat er, ondanks de inzet van hulpverlening, onvoldoende groei te zien is bij moeder en [minderjarige 1] om zijn veiligheid te waarborgen en dat [minderjarige 1] onvoldoende toekomt aan zijn ontwikkeling. De GI is van mening dat de veiligheid en positieve ontwikkeling enkel geboden kan worden binnen een residentiële behandelinstelling.

Ter zitting heeft de GI aanvullend naar voren gebracht dat de school geen positieve verandering ziet in de situatie van [minderjarige 1]. Over zijn leerprestaties bestaan geen zorgen. De GI wil in het kader van de plaatsing van [minderjarige 1] met diagnostiek onderzoeken of er bij [minderjarige 1] sprake is van kind eigen problematiek of dat het systeemfactoren zijn. Verder heeft de GI verklaard dat in het familiegroepsplan niet voldoende concreet is aangegeven waar ouders aan moeten werken om duidelijkheid te krijgen over de relatie van ouders en de omgang tussen vader en de kinderen. De GI mist daarin een aantal stappen. In de thuissituatie wordt [minderjarige 1] onvoldoende geboden. Een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is noodzakelijk. Verzocht wordt plaatsing in een accommodatie jeugdhulpaanbieder, voor observatie en behandeling. Gedacht wordt aan Idris. Het is een ingrijpende maatregel voor elk kind maar er is al langere tijd intensieve hulpverlening ingezet bij moeder. Moeder wordt al jarenlang ondersteund op allerlei vlakken.

Het standpunt van belanghebbenden

Door en namens moeder wordt ter zitting en in het verweerschrift het volgende naar voren gebracht. Moeder is het niet eens met het verzoek. In 2014 was sprake van een positieve ontwikkeling in het gezin van moeder, waarbij zelfs werd gesproken over een tussentijds beëindiging van de ondertoezichtstelling. Toen er een nieuwe gezinsvoogd kwam, lukte het moeder niet om met die gezinsvoogd te communiceren. Moeder raakte het vertrouwen kwijt. Moeder werd overvraagd. Het verzoek lijkt voort te komen uit de aanname dat de in juli 2015 aan ouders gestelde eisen (hygiëne, positief contact tussen vader en [minderjarige 1] en voldoende opvoedcapaciteiten van moeder) niet zijn gehaald en ook niet haalbaar zijn. Volgens moeder is gebleken dat de hygiëne voor de kinderen inmiddels voldoende is. Het contact tussen vader en de kinderen loopt positief. De ouders hebben zich de kritiek aangetrokken en hebben zich inmiddels gemeld bij Triple P. Ten aanzien van de opvoedcapaciteiten van moeder is uit recent psychologisch onderzoek van moeder gebleken dat zij overvraagd is in de afgelopen periode. Los hiervan heeft moeder wel degelijk stappen gezet. Dat het in de ogen van de GI niet vlot genoeg is gegaan, rechtvaardigt niet de conclusie dat moeders opvoedcapaciteiten onvoldoende zijn. Naar aanleiding van de ingezette hulp aan [minderjarige 1] en moeder is het schoolrapport van [minderjarige 1] goed. Dit laat zien dat de ingezette hulp werkt en dat er sprake is van groei. Omdat [minderjarige 1] behoefte heeft aan structuur, duidelijkheid en visualisatie heeft moeder, naast de Triple P. cursus, steun gevraagd aan WU Eindhoven om haar hiermee te helpen.

Daarnaast stelt moeder dat recent een familiegroepsplan is opgesteld met als doel een uithuisplaatsing te voorkomen. Het plan zet in op ondersteuning van moeder en [minderjarige 1] en ziet mede op de relatie tussen moeder en vader en op ondersteuning van vader. Feit is dat de GI zich afzijdig heeft gehouden bij het opstellen van het plan. Verder is de ingezette hulpverlening wel effectief, omdat er sprake is van groei. Moeder is bezig met het scheppen van voorwaarden waarmee ze kan voldoen aan de behoeften van [minderjarige 1]. Moeder krijgt hier ook ondersteuning bij. De advocaat van moeder stelt verder dat de GI het verzoek overhaast heeft ingediend. Onvoldoende is komen vast te staan dat een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is. Het vrijwillige kader dient nog een kans te krijgen. Er moet alles aan gedaan worden om een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] te voorkomen. Moeder erkent haar problematiek. Verder stelt moeder dat de GI de handen van haar aftrekt terwijl ze er meer zou kunnen zijn voor haar. Moeder wil het familiegroepsplan een kans geven. Moeder stelt daarnaast een gezinsopname van haar en de kinderen voor.

De advocaat verzoekt om het verzoek af te wijzen.

[dhr. P] heeft ter zitting aangegeven dat hij door de ouders is benaderd om een familiegroepsplan op te stellen. Op IS januari 2016 is het familiegroepsplan besproken. Hierbij waren naast de [dhr. P] de ouders, een zus van moeder, [generalist] (generalist bij WIJeindhoven) en [psycholoog] (psycholoog en behandelaar van moeder) aanwezig. Tevens was [gezinsvoogd 1], tot halverwege december 201 S de verantwoordelijk gezinsvoogd en [gezinsvoogd 2], vanaf januari 2016 de verantwoordelijk gezinsvoogd, uitgenodigd. Op 15 januari 2016 was geen gezinsvoogd aanwezig, wel werd op die dag medegedeeld dat een verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de rechtbank zou worden ingediend. Bij het opstellen van het familiegroepsplan is gestart met de door de gezinsvoogd schriftelijk aangegeven minimale voorwaarden waaraan het plan dient te voldoen. Voorts is namens de SBO Petraschool, NEOS Eindhoven en Impegno informatie schriftelijk aangeleverd, welke bij het opstellen van het plan is betrokken.

De beoordeling

De kinderrechter oordeelt dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1:265b Burgerlijk Wetboek om tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] over te gaan. Niet is gebleken dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid om hem uit huis te plaatsen.

Wel stelt de kinderrechter vast dat al langere tijd intensieve hulpverlening wordt ingezet in het gezin van ouders, en dat deze hulpverlening vooralsnog niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Bovendien zijn de ernstige zorgen bij [minderjarige 1] ten aanzien van de ontwikkelingsachterstand nog steeds aanwezig. De huidige situatie bij moeder komt vooralsnog onvoldoende tegemoet aan wat [minderjarige 1] nodig heeft. [minderjarige 1] heeft meer dan gemiddeld behoefte aan structuur en duidelijkheid. Het is de vraag of ouders hieraan kunnen voldoen.

Echter, nu een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel betreft, wordt daartoe slechts overgegaan indien er geen alternatief is. Naar het oordeel van de kinderrechter kan niet worden uitgesloten dat met het door ouders opgestelde familiegroepsplan een uithuisplaatsing kan worden voorkomen. Hierbij acht de kinderrechter van belang dat volgens het plan van aanpak van 24 september 2014 nog sprake was van een positieve ontwikkeling bij moeder en dat zij heeft laten zien leerbaar te zijn. Zelfs werd demogelijkheid benoemd van een tussentijdse beëindiging van de ondertoezichtstelling. Anders dan de GI oordeelt de kinderrechter dat het familiegroepsplan voldoende concreet is geformuleerd. Ook is bij dit plan alle relevante informatie betrokken. Er zijn duidelijke afspraken gemaakt met de ouders, en zij zijn een aantal afspraken, zoals het volgen door moeder van cognitieve therapie, aanmelding bij een stabilisatiegroep, en aanmelding van ouders bij Triple P, al nagekomen. Ook is WIJeindhoven inmiddels betrokken. Ten aanzien van hun relatie hebben ouders afgesproken dat zij samen afspraken maken en apart blijven wonen en dat zij medio maart/april 2016 wellicht knopen in deze doorhakken. De GI heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor een onderzoek van de geestelijke gesteldheid van [minderjarige 1] noodzakelijk is om hem uit huis te plaatsen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de kinderrechter dat het in het belang is van [minderjarige 1] dat eerst uitvoering wordt gegeven aan het familiegroepsplan. Nu de ondertoezichtstelling loopt tot 14 augustus 2016, dient de gezinsvoogd sturing te geven aan de uitvoering van dit plan. Het verzoek van de GI wordt afgewezen.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] te verlenen af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.H. de Heer-Schotman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van J.M. van Rooij als griffier en in het openbaar,uitsproken op 23 februari 2016.

 magische-stok-hart_318-49209
3 december 2015

Op 3 december 2015 heeft het Gerechtshof van ‘s-Hertogenbosch uitspraak inzake een hoger beroep bij een ondertoezichtstelling gedaan.
Het gezin heeft ondersteuning gekregen (door ons) bij het maken van een FGP. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de kinderen in hun ontwikkeling worden bedreigd, maar ziet onvoldoende grond om hulpverlening in een gedwongen kader te laten plaatsvinden. Het hof stopt met onmiddelijke ingang de ondertoezichtstelling. De motivatie zit in het feit dat de familie voldoende hard maakt dat met het FGP gewerkt wordt aan een verbetering van de opvoedsituatie. Tevens maakt de familie duidelijk dat het FGP de samenwerking met de hulpverleners verbeterd.

Link naar de uitspraak

Onderstaande informatie is afkomstig van de VNG-website.

4 maart 2015

Rechtbank Rotterdam heeft uitspraak gedaan over een verzoek tot gesloten jeugdhulp. De kinderrechter wees het verzoek tot verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp af in verband met de mogelijkheid van een familiegroepsplan.

De uitspraak is op 4 maart 2015 gedaan door de Enkelvoudige Kamer. Het ging dus om een eenvoudige zaak, waarin één rechter uitspraak doet (in dit geval een kinderrechter).

Inhoud zaak
Het verzoek tot gesloten jeugdhulp is afkomstig van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (Gecertificeerde Instelling). Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt uitgeoefend door de moeder. Zij wordt dan ook als belanghebbende aangemerkt.

Op grond van artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend, als naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei-of opvoedingsproblemen, die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren.
Bovendien dient opname en verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

Hiervan is in dit geval geen sprake. Integendeel, de minderjarige heeft een groei doorgemaakt en accepteert de hulpverlening. Dat de moeder en de broer van de minderjarige te kampen hebben met psychische problematiek, is niet voldoende reden om de minderjarige opnieuw uit huis te plaatsen zonder alternatieven te overwegen, zoals een familiegroepsplan.

De kinderrechter heeft de mogelijkheid geboden een familiegroepsplan op te stellen, voor het geval de thuissituatie escaleert. De moeder heeft te kennen gegeven dat zij gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid.
Beslissing: de kinderrechter wijst het verzoek tot verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp af.

Het is mogelijk om zelf te zoeken naar uitspraken. Momenteel zijn de rechters nog zuinig met het betrekken van familiegroepsplannen bij hun uitspraken.

 

In de zoekfunctie “familiegroepsplan” invullen: http://uitspraken.rechtspraak.nl